Bezwaarschrift

Bezwaarschrift

Bezwaarschriften kon je indienen tot 26 januari 2021.


Lees hier het volledige bezwaarschrift van ons actie-comité.


Een samenvatting van ons bezwaar kan je ook hier beneden lezen:

III.1      Onontvankelijkheid van de aanvraag

i.          Geen MER toegevoegd

Uit de dossierstukken blijkt dat er geen milieueffectrapportage (MER) is toegevoegd, hoewel dit wettelijk verplicht is.  Er wordt enkel een MER-screening van 11.11.2020 toegevoegd, dat echter een wettelijk vereist MER niet kan vervangen.

In die zin is het schema zoals toegevoegd in de MER-screening 2020 op p. 16 dan ook onjuist.

Vooreerst valt de wijziging/uitbreiding op zich wel onder een rubriek uit Bijlage I van het MER-besluit uit 2004.  Minstens wordt de drempelwaarde uit Bijlage I wel overschreden door het samentellen van de verschillende cumulatieve wijzigingen/uitbreidingen.

Als voorbeeld kan onder andere worden aangegeven dat de wijziging voorziet in de vervanging van de oorspronkelijk voorziene 2 units van 460 MWe (MER 2013) in 1 unit van 870 MWe.  Bijgevolg wordt met deze wijziging de drempelwaarde van 300 MW uit rubriek 2.a overschreden, nu het verschil in warmtevermogen tussen een oorspronkelijk voorziene unit en de gewijzigde unit 870-460 MWe = 410 MWe bedraagt.

Minstens vallen de wijzigingen/uitbreidingen onder Bijlage II van het MER-besluit uit 2004, dan wel wordt de drempelwaarde uit Bijlage II voor het eerst en/of wel overschreden door het samentellen van de verschillende cumulatieve wijzigingen/uitbreidingen.

ii.         Geen actueel MER

In elk geval is er geen MER toegevoegd dat actueel is, zoals voorgeschreven door de Wet en de nationale en internationale rechtspraak (Europees Hof van Justitie) omwille van op zijn minst  volgende redenen:

ii.1       Het oorspronkelijke MER dateert reeds van 2013 en is dus verouderd

Zoals op p. 13 van de MER-screening aangeven, dateert het oorspronkelijk MER reeds van 2013 oftewel op dit moment reeds meer dan 7(!) jaar geleden (PRMER-0504-GK / goedgekeurd 05.11.2013).  Bijgevolg schendt de aanvraag de vaste nationale en internationale recht die stelt dat de houdbaarheid van de vereiste actualiteit van een MER niet meer dan 4 jaar kan bedragen.

Bovendien waren sommige metingen ten tijde van het MER 2013 reeds 3 jaar oud en zijn de omstandigheden intussen gewijzigd (bijvb. in tegenstelling tot bij de metingen uit MER 2013 is bedrijf Torr-Coal intussen actief).

Er kan o.a. verwezen worden naar het arrest van de Raad van State dd. 22.12.2017 (nr. 240.302) waarin de Raad van State in het kader van een GRUP vaststelde dat onmogelijk nog kan verwezen worden naar een MER dat 6 jaar oud is.  Zoals gesteld, is in deze aanvraag het MER reeds meer dan 7 jaar oud.

ii.2       De installatie dat voorwerp is van de aanvraag verschilt van de installatie uit het MER van 2013

Op p. 13 van de MER-screening wordt toegegeven dat de installatie die nu voorwerp is van de MER-screening op vele punten verschilt van de installatie waarvoor in 2013 een MER werd opgesteld, zoals o.a. gebruik van andere technologie, andere bouwconstructie, ander vermogen, etc…

Bijgevolg is het MER 2013 dan ook niet meer actueel gezien het gewijzigde voorwerp en dient er een nieuw MER te worden aangevraagd en goedgekeurd.

Vermits het MER reeds werd goedgekeurd, kan dit niet meer gewijzigd worden en moeten voor wijzigingen in de installatie een nieuw MER aangevraagd en goedgekeurd worden:

“Een MER of een ontheffingsnota of plan-m.e.r.-screeningsnota en de bijhorende goedkeurings-beslissing kunnen, eens definitief, niet meer worden herzien. Zodra de dienst Mer een beslissing neemt over een MER, een aanvraag tot ontheffing of plan-m.e.r.-screening, is die beslissing definitief. Indien een plan of project dus nog zou wijzigen nadat reeds een vorm van m.e.r. is uitgevoerd en afgerond door een goedkeuring van de dienst Mer, dan is juridisch gezien geen ‘aanpassingsprocedure’ mogelijk. Strikt genomen bestaat de enige mogelijkheid er dan in de m.e.r.-procedure over te doen”.

(Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, RICHTLIJNENBOEK MILIEUEFFECTRAPPORTAGE. ALGEMENE METHODOLOGISCHE EN PROCEDURELE ASPECTEN oktober 2015, p. 151)

ii.3       De omgevingssituatie op heden verschilt van de omgevingssituatie ten tijden van het MER 2013

Gezien de vele jaren tussen de goedkeuring van het MER en de huidige aanvraag (meer dan 7 jaar!) is intussen de omgeving eveneens veranderd waardoor het MER van 2013 niet meer actueel is en een volledig nieuw MER dient te worden opgemaakt.

Als voorbeeld kan verwezen worden naar het nabije windturbinepark waarvan de cumulatieve effecten op o.a. geluidsoverlast in 2013 nog niet volledig konden beschreven worden daar het MER uit 2013 expliciet stelde dan minstens 2 windturbines ten tijde van het MER 2013 onderzoek nog niet (volledig) af waren terwijl dit intussen op heden wel het geval is.

Een ander voorbeeld zijn de geluidsmetingen uit het MER 2013 die ten tijde van het MER 2013 reeds 3 jaar oud waren, en geen rekening hielden met het feit dat in de omgeving intussen Tor-Coal actief is geworden, hetgeen niet het geval was op het moment van de metingen voor het MER 2013.

ii.4       MER 2013 uitgevoerd door deskundigen die ten tijde van MER screening 2020 geen erkende expert meer zijn

Er dient vastgesteld te worden dat door de vele verlopen jaren tussen het MER 2013 en de MER-screening 2020 een aantal van de MER-deskundigen die hebben meegewerkt aan MER 2013, ten tijde van de MER screening 2020 en vandaag de dag niet langer over een officiële erkenning beschikken, zodat deze gegevens niet meer overgenomen mogen worden in en/of als basis mogen dienen voor de MER screening 2020

Bovendien stelt zich de vraag of het überhaupt wel is toegelaten dat een andere MER-deskundige de screening doet van de gegevens verschaft door een vorige MER-deskundige, vermits de nieuwe MER-deskundige steeds een interpretatie dient te maken van de gegevens van de vorige MER-deskundige, terwijl dit niet tot de bevoegdheid van een MER-deskundige behoort.

iii.        Niet naleven informatieverplichtingen door stadsbestuur Dilsen-Stokkem

Conform de heersende wetgeving, dient zowel huidig openbaar onderzoek als het openbaar onderzoek voorafgaand aan het MER 2013 door het Stadsbestuur Dilsen-Stokkem cumulatief als volgt te worden bekendgemaakt:

Aanplakking;

Bericht in informatieblad Dilsen-Stokkem;

Bericht op de website Dilsen-Stokkem;

Bericht in pers met regionale afdekking;

Individuele kennisgeving van buurtbewoners.

Noch in het kader van huidig openbaar onderzoek, noch in het kader van het openbaar onderzoek in 2010 naar aanleiding van het MER 2013 heeft het Stadsbestuur cumulatief aan deze verplichtingen voldaan, waardoor de mogelijkheden tot bezwaar teniet gedaan werden, minstens onredelijk belemmerd.

iv.        Voorlopig besluit

Uit bovenstaande en alle andere redenen mag dan ook duidelijk blijken dat de aanvraag afgewezen dient te worden als onontvankelijk wegens gebrek aan een (actueel) MER.

III.2      Ondergeschikt orde: ongegrondheid van de aanvraag wegens lacunes en gebreken in het MER 2013 en/of MER-screening 2020

Zelfs indien de aanvraag ontvankelijk zou zijn, dan nog kan de aanvraag niet goedgekeurd worden omwille van bovenstaand aangehaalde argumenten en/of lacunes en gebreken in het MER 2013 en/of MER-screening 2020, waarvan hieronder op niet-limitatieve wijze een opsomming wordt gegeven:

i.          Gebrek aan onafhankelijkheid bij onderzoek alternatieven

De MER deskundigen van het MER 2013 waren allemaal tewerkgesteld binnen hetzelfde studiebureau (ARCADIS), inclusief ook de MER-coördinator. Daar deze laatste ook verantwoordelijk is voor het onderzoek naar alternatieven, was er te weinig waarborg voor een onafhankelijk en correct onderzoek van alternatieven (zie in deze zin ook de beslissing van de Vlaamse Ombudsman).

Het MER 2013 stelt dan ook uitdrukkelijk dat er geen locatie- of uitvoeringsalternatieven werden bestudeerd.

ii.         Niet limitatieve lijst van voorbeelden van lacunes, gebreken en wettelijke schendingen

ii.1       Natuur en milieu

Er is onvoldoende rekening gehouden met de aanwezigheid op de plaats van de geplande installatie van de Rugstreeppad (Epidalea calamita) op het industrieterrein Dilsen-Rotem (cfr populatieonderzoek van het INBO). -De rugstreeppad behoort tot de streng beschermde soorten die worden opgelijst in Bijlage II van de Conventie van Bern (Raad van Europa, 1979).-De rugstreeppad is een soort die werd opgelijst in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG, Europese Unie, 1992).-De rugstreeppad is in Bijlage 1 van het (Vlaamse) Soortenbesluit (15/05/2009) als categorie 3 ondergebracht.-Op de IUCN Rode lijst van de amfibieën en reptielen in Vlaanderen (Jooris et al. 2012) werd de rugstreeppad ondergebracht in de categorie “Kwetsbaar”.  De rugstreeppad is geselecteerd als prioritaire soort in alle Vlaamse provincies (Provinciaal Prioritaire Soorten).

Er is onvoldoende onderzocht en rekening gehouden met de zwaluwkolonie die voorkomt op de site van de aangevraagde installatie.

Er is onvoldoende onderzocht het feit dat het bemalingswater al dan niet zware metalen bevat en of dit bemalingswater al dan niet effectief op RWA of Zuid-Willemsvaart mag geloosd worden.

Er is onvoldoende onderzocht wat het effect is van het onttrekken van water door de aangevraagde installatie op de Zuid-Willemsvaart (ca. 773m²/h) en dit bij lage waterstand van de Maas.

De aangevraagde installatie is niet verenigbaar met het PRUP Regionaal Bedrijventerrein Rotem (September 2010) vermits er geen afdoende buffering wordt voorzien naar naastliggend natuurgebied en tevens onverenigbaar met de hoge aanwezige en potentiële natuurwaarden van het westelijk deel van het Bedrijventerrein (p. 27 PRUP).

De aangevraagde installatie voorziet in een verhoging van het reliëf en schendt daardoor het PRUP waarin de specifieke positionering van het bedrijventerrein in het Kempisch Plateau vraagt voor een gebiedsgerichte oplossing waarbij het landschap maatgevend is en precies rekening gehouden moet worden met het bestaande reliëf (p. 27 PRUP).

De aangevraagde installatie druist in tegen de visie opgenomen in het PRUP inclusief die voor de verkaveling Budé, die inzet op kwaliteitsvolle en duurzame ontwikkeling als gemengd regionaal bedrijventerrein. Dit heeft betrekking op zowel het uitzicht, het ruimtegebruik, de ontsluiting en de ruimtelijke en landschappelijke inpassing in de omgeving. Intensief ruimtegebruik, een hoge beeldkwaliteit en goede ruimtelijke overgangen met de omgevende elementen zijn de hoofddoelstellingen. (PRUP p. 28).

ii.2       Mobiliteit en verkeer

Er ontbreekt een (volledige) mobiliteitsstudie zowel in MER 2013 als MER-screening 2020, o.a. met betrekking tot de nieuwe elementen zoals bijvb. de aanvoer van meer dan 20x de oorspronkelijke hoeveelheid H2SO4.

De effecten op het verkeer en de effecten tijdens de bouwfase zijn onvoldoende tot niet onderzocht.

Ook de MER-screening 2020 is opnieuw onvolledig gezien op het moment van de beslissing de omsluitingsweg niet klaar zal zijn.

Bovendien worden voor het verkeer en de omsluitingsweg enkel de milderende maatregelen besproken en is er geen effectief onderzoek van de effecten zoals bijvb. schade door trilling, geluid, …

De ontsluiting van het bedrijventerrein en dus ook het verkeer van/naar de aangevraagde installatie loopt volgens het PRUP doorheen een landelijk woongebied Pannenhuisstraat, waarvan de effecten onvoldoende tot niet zijn onderzocht.

ii.3       Wettelijk kader

De Europese Commissie heeft zich reeds boetes aangekondigd voor het subsidiëren van de aangevraagde installatie en daarmee schendt een toekenning van de aanvraag reeds a priori de supranationale wetgeving.

De exploitatie van de aangevraagde installatie is tegen de beleidsplannen en -afspraken zowel op internationaal en nationaal niveau, alsook tegen de beleidsplannen en –afspraken op deelstatelijk niveau.

De aangevraagde installatie schendt het Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan Regionaal Bedrijventerrein Rotem inclusief de verkavelingsvereisten, alsook de hierin opgenomen doelen zoals Ruimte om te werken en te ondernemen, behoud van voldoende toeristisch-recreatieve beleving voormalige spoorlijn.

ii.4       Calamiteiten

Er is onvoldoende rekening gehouden met het feit dat deze site in aardbevingsgevoelig gebied ligt.  Dit is eveneens onvoldoende in rekening genomen voor het onderzoek naar alternatieve locaties.

Er is onvoldoende onderzoek verricht naar de nieuwe, bijkomende gevaren die de nieuwe, aangepaste installatie met zich meebrengt.  Zo is er bijvoorbeeld onvoldoende onderzoek verricht naar de gevaren (bij de aanvoer) van H2SO4, aangezien de benodigde hoeveelheid H2SO4 meer dan vertwintigvoudigd is in vergelijking met  de installatie uit het MER 2013 niet gebruikt werd.  H2SO4 is gecategoriseerd als een gevaarlijke stof voor wegvervoer.

Bij de discipline mens ontbreekt dan wel is onvoldoende onderzocht het risico calamiteiten, ook n.a.v. voorgenomen aanpassingen aan de installatie en de nieuwe, bijkomende risico’s van deze aanpassingen (bijvb. 20x meer H2SO4 nodig).

ii.5       Onderzoeksmethoden en cumulatieve effecten

Conform Bijlage IV van de MER-richtlijn, moet de beschrijving van de waarschijnlijke significante effecten betrekking hebben op de directe effecten en alle indirecte, secundaire, cumulatieve, grensoverschrijdende, korte-, middellange en langetermijneffecten, permanente en tijdelijke, positieve en negatieve effecten van het project.  Er is onvoldoende onderzoek verricht naar de gecumuleerde effecten van reeds bestaande/voorgaande installaties zoals:

De vroegere zinkfabriek;

Torr-coal;

Windturbinepark;

Edelchemie;

Containerpark.

Gedeeltelijk ook nu deze effecten ten tijde van het MER 2013 nog niet in volle omvang bekend en/of effectief waren.

De effecten van belangrijke delen van de installatie en/of delen die enkel en alleen worden/werden opgericht door bijvb. Fluxys, Elia, … tot nut van de aangevraagde installatie (zoals bijvb. onderstation Dilsen, aanpassingen gastoevoer, aanpassingen hoogspanningslijnen, …) werden in zijn geheel niet onderzocht.

Er is onvoldoende rekening gehouden bij de metingen met de aanwezigheid van een school op minder dan 1 kilometer en de aanwezigheid van Torr-Coal.

De woningen liggen veel dichter bij de aangevraagde installatie dan vermeld o.a. met betrekking tot het woonlint op de Kanaalstraat waardoor de referentiepunten voor de metingen onjuist en/of onvolledig zijn.

Er is onvoldoende onderzocht dan wel een verkeerde conclusie getrokken met betrekking de effecten op de Vaartstraat o.a. betreffende de toename van de geluidsoverlast in de nachtperiode in het weekend, noch is er verduidelijk of de startwaarde met of zonder de reeds bestaande geluidsoverlast van Torr-Coal is.

In de cumulatieve effecten wordt er geen rekening gehouden met de andere projecten, ten oosten van de industriezone, in de omgeving die een stijging in productiviteit en geluidsoverlast in de woonkernen met zich meebrengen. De cumul met het windpark dat in 2015 operationeel werd, vraagt zoals hoger aangehaald om een nieuw MER.

Er wordt onvoldoende onderzoek verricht naar de rookpluim die invloed heeft op het zicht vanuit de belangrijkste toeristische plekken in de stad, en zelfs vanop andere plaatsen zichtbaar is.

ii.6       Stedenbouwkundige voorschriften en het PRUP

De aangevraagde installatie schendt zowel de essentiële voorwaarden als het Stedenbouwkundig Verordend Deel van p. 51 van het PRUP.

Als voorbeeld kan verwezen worden dat conform het Stedenbouwkundig Verordenend Deel op p. 51 van het PRUP, de site waarvoor de installatie wordt aangevraagd, voorbehouden is voor ‘regionale bedrijven’.  Uit de aandeelhoudersstructuur, blijkt duidelijk dat de aanvrager van de vergunning geen regionaal bedrijf is, noch enige regionale verankering heeft.

Hierbij wordt herinnerd aan het feit dat Bijlage II bij Richtlijn 2001/42/EG voorziet als criterium duidelijk ‘de mate waarin het plan of programma andere plannen en programma’s, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiërarchisch geheel, beïnvloedt’.

ii.7       Overige

De exploitatie van de aangevraagde installatie is onrendabel zonder subsidies, en schendt bijgevolg het duurzaamheidsvereiste.

Reeds op voorhand staat vast dat aangevraagde installatie slechts 25-30 jaar kan bestaan, en schendt bijgevolg het duurzaamheidsvereiste.